En langzaam glij ik weg. In een donker gat.
Een gat wat niet mijn woonplaats is maar meer een diepe put.
Ik sta in een storm, ik wil scheeuwen, boven het geraas uitkomen maar op een of andere manier heb ik mijn stem verloren. Angst dat ik stil sta terwijl alles om me heen voortbeweegt. Schuld omdat ik in m’n schulp wil kruipen, in een warm bed en kan slapen tot alles weer over is. Even heb ik geen kracht om nog iets te doen, te moeten doen.
Een waslijst aan dingen die ik nog moet doen. Dingen waarvoor ik nog moet betalen, veel geld, dingen die ik moet zoeken, vinden, opbergen, verhuizen. Ik plannen, tot de minuut. De focus ligt op m’n kamer en ik had gehoopt er nu al in te zitten, dan kan ik het afvinken en me richten op school. Want aanstaande vrijdag moet er een project af zijn, een project waarvoor mijn projectmaatje en ik nog amper wat voor gedaan hebben.
Mijn schouders zijn gespannen, mijn wallen zijn diep. Tijdsbesef is niet aan de orde, vanmiddag rond een uur of twee dacht ik dat het 12 uur was en om 7 uur ‘s avonds dacht ik dat het 10 uur was.
Mijn hoofd is een geordende warboel. Als een strak ingerichte kamer met een stapel wasgoed die steeds groter wordt. Naast de vuile kleren groeit de stapel papieren op het bureau. De hoeveelheid inboedel voor de volgende kamer word in kratten opgestapeld en toornt bijna boven me uit.
Nog even doorbijten en in de rust momentjes rust nemen, pieker uurtjes inplannen en mezelf een schop onder m’n kont geven. Nog even keihard doordrammen en dan lekker weer eens naar Pann en daarna vakantie. Werken en genieten van de vrijheid.
Denkend aan de top van de berg in plaats van het einde van de put.